‘Ik studeerde Nederlands in Amsterdam en woonde destijds op de Zeedijk. Daar bevond zich een fascinerend winkeltje waar ze leer nog per ons verkochten. Al die laatjes met staaltjes leer, oefenden een magnetische aantrekkingskracht op me uit en ik hing uren rond in die winkel. Uiteindelijk begon ik proefstukjes te kopen en op een oude Singer naaimachine ben ik daar wat gekke dingetjes van in elkaar gaan zetten. Grafische, wiskundige vormpjes waarvan het leek of het voor op tafel was, maar waar een rits in verborgen zat en die dus eigenlijk als tasje gebruikt konden worden. Toen ik daar op Koninginnedag mee op straat stond, had ik ze binnen een mum van tijd uitverkocht en was ik benaderd door twee winkels. Van de 850 gulden die ik toen verdiend had, heb ik voor 60 gulden leer gekocht en beetje bij beetje de machines die ik nodig had. Kleur was mijn eerste verlangen, dus ik ging aan de gang met stukjes leer, dat was toen nog heel apart en er was veel vraag naar die tassen. Het was nog in de tijd dat Dr. Adams en Shoebaloo jonge ontwerpers binnen haalden en voor ik het wist had ik een collectietje verkocht.